Door de groei aan één kant van het been te remmen, kan het been weer recht groeien. Tijdens de operatie zet de orthopeed één kant van de groeischijf vast met een tijdelijk implantaat.
Bij een O-been zet de orthopeed het implantaat aan de buitenkant van de groeischijf. Bij een X-been zet de orthopeed het implantaat aan de binnenkant.
Heeft uw kind een beenlengteverschil? Dan kan de orthopeed de groeischijven aan zowel de binnen- als de buitenkant van het langste been tijdelijk vastzetten. Hierdoor groeit dit been minder snel, terwijl het kortste been doorgroeit. Zo kan het beenlengteverschil kleiner worden.