Een operatie in MMC

Een operatie kan onderdeel uitmaken van uw behandeling. Hier vindt u informatie over onder andere de operatiekamers, de poliklinische operatiekamers, maar ook over de verschillende vormen van anesthesie (narcose).

Operatiekamers

Beide locaties van MMC beschikken over een modern uitgeruste operatieafdeling. In Eindhoven bestaat het OK-complex uit zeven operatiekamers, gericht op planbare zorg. Alle specialismen zijn hier vertegenwoordigd. Ook op locatie Veldhoven heeft MMC zeven operatiekamers. Deze zijn meer gericht op complexe en acute zorg.

Infographic OK

 

Poliklinische operatiekamers

Bepaalde kleine operatieve ingrepen worden uitgevoerd op de poliklinische operatiekamers (afdeling POK) van Máxima Medisch Centrum. Dit zijn ingrepen die onder plaatselijke verdoving worden uitgevoerd en waarvoor het niet nodig is dat u opgenomen wordt in het ziekenhuis. U kunt in veel gevallen dus vlak na de ingreep alweer naar huis.

Anesthesie

Bij de operatie is een vorm van narcose of verdoving (anesthesie) nodig. U wordt door middel van medicijnen geheel of gedeeltelijk verdoofd. Hierdoor wordt u met zo min mogelijk nadelige gevolgen, zoals pijn, misselijkheid en andere nadelige gevolgen voor het lichaam geopereerd. De anesthesist is de medisch specialist die zich toelegt op de pijnbestrijding en intensieve zorg rondom de operatie. Daarnaast controleert de anesthesioloog voor de operatie of u gezond genoeg bent om de operatie te doorstaan.

Er bestaan verschillende soorten anesthesie:

Algehele narcose
De meest bekende is de algehele anesthesie, ook wel narcose genoemd, waarbij het hele lichaam wordt verdoofd waardoor u tijdelijk buiten bewustzijn bent.

Voordat u narcose krijgt toegediend, wordt de bewakingsapparatuur aangesloten. U krijgt een plastic infuusnaald ingebracht in een arm waarop een infuus wordt aangesloten voor het toedienen van vocht en geneesmiddelen. Via de infuusnaald spuit de anesthesist de narcosemiddelen in. U valt binnen een halve minuut in een diepe slaap. Tijdens de operatie blijft de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker voortdurend bij u. Zij bewaken en besturen tijdens de operatie de functies van uw lichaam.

U kunt zich kort na de operatie slaperig voelen en af en toe wegdommelen. Dat is heel normaal. Met het uitwerken van de narcose kan er pijn optreden in het operatiegebied. Terug op de afdeling kunt u zich nog slaperig voelen, ook kan misselijkheid en braken optreden en kunt u pijn krijgen. Heeft u een geïrriteerde keel of bent u hees? Dan komt dat van het buisje dat tijdens de operatie in uw keel zat om de ademhaling te kunnen regelen. Die irritatie en heesheid horen vanzelf binnen een aantal dagen te verdwijnen.

Regionale anesthesie
Bij een regionale verdoving/anesthesie wordt een gedeelte van het lichaam, bijvoorbeeld een arm of het gehele onderlichaam tijdelijk gevoelloos en bewegingloos gemaakt. Door een verdovingsmiddel rond een zenuw te spuiten kunnen zenuwen of zenuwbanen tijdelijk worden uitgeschakeld.

Bij regionale verdoving worden de zenuwen die op pijn reageren zo volledig mogelijk uitgeschakeld. Het gevoel verdwijnt soms niet helemaal. Het is normaal als u voelt dat u wordt aangeraakt. Vaak lopen de pijnzenuwen samen met de zenuwen die de spieren laten werken. Die worden met de verdoving ook tijdelijk (soms bijna 24 uur) uitgeschakeld. De spieren raken dan verlamd: ze werken tijdelijk niet. Als de verdoving volledig is uitgewerkt, heeft u weer de normale kracht en beheersing over de spieren.

Ruggenprik
In de rug lopen vanuit het ruggenmerg grote zenuwen naar het onderlichaam en de benen. Deze zenuwbanen worden met een ruggenprik verdoofd. Die prik komt niet in de buurt van het ruggenmerg, dat dus niet beschadigd kan raken.

Voor het zetten van de ruggenprik wordt u gevraagd te gaan zitten. Er wordt een superdun naaldje gebruikt, deze is dan ook minder pijnlijk dan het inbrengen van een infuusnaald. Als de verdoving is ingespoten merkt u eerst dat uw benen warm worden en gaan tintelen. Later worden ze gevoelloos en slap evenals de rest van het onderlichaam. U blijft bij bewustzijn. Gedurende de operatie blijft de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker bij u. Van de operatie ziet u niets; alles wordt afgeschermd. Als u toch liever slaapt, dan kunt u om een slaapmiddel vragen. Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het gemiddeld twee tot zes uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt.

Een ruggenprik heeft een aantal bijwerkingen:

  • Onvoldoende pijnstilling
    Het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesist nog wat extra verdoving bijgeven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld narcose. De anesthesioloog zal dat dan met u overleggen.
  • Lage bloeddruk
    Als bijwerking van een ruggenprik kan een lage bloeddruk optreden. U kunt zich daardoor tijdelijk onwel voelen. De anesthesist is hierop bedacht en zal daartegen maatregelen nemen.
  • Hoge uitbreiding
    Soms komt het voor dat het verdoofde gebied zich verder dan bedoeld naar boven uitbreidt. U merkt dat doordat uw handen gaan tintelen. Misschien kunt u wat moeilijker ademen. De anesthesist zal u wat extra zuurstof toedienen. Meestal zijn de klachten daarmee opgelost.
  • Moeilijkheden met plassen
    De verdoving strekt zich uit tot de blaas. Het plassen zal daardoor moeilijker gaan dan normaal. Het kan nodig zijn de blaas met een katheter leeg te laten lopen.
    Ook nadat de ruggenprik is uitgewerkt kunnen er bijwerkingen optreden:
  • Rugpijn
    Het komt voor dat er rugpijn ontstaat op de plaats waar de prik is gegeven. Dit heeft meestal te maken met de houding tijdens de operatie en niet met de ruggenprik zelf. De klachten verdwijnen meestal binnen enkele dagen. Er kan ook rugpijn optreden die uitstraalt naar de achterzijde van de bovenbenen. Deze vervelende ‘spierpijn’ is onschuldig en zal in de regel binnen twee dagen verdwijnen.
  • Hoofdpijn
    Na een ruggenprik kan hoofdpijn optreden. Deze hoofdpijn onderscheidt zich van ‘gewone’ hoofdpijn doordat de pijn minder wordt bij platliggen en juist erger wordt bij overeind komen. Als u deze klachten heeft, neemt u dan contact op met de anesthesist. Deze heeft mogelijkheden om het natuurlijk herstel te bespoedigen.

Verdoving van de arm
De arm kan worden verdoofd door de zenuwknoop (plexus) die naar de arm loopt tijdelijk uit te schakelen door rond de zenuwen een verdovingsmiddel te spuiten. U krijgt dan een prik in de oksel, bij het sleutelbeen, in de rug of in de hals. Om u tijdens de operatie zo nodig medicijnen te kunnen toedienen, krijgt u een infuusnaald in de andere arm. De anesthesist prikt met een naald op de plaats waar de zenuwen lopen die naar de arm gaan. Via deze naald worden zwakke elektrische prikkels gegeven. Als u schokjes in de arm of de hand voelt dan moet u proberen niet te bewegen, maar dat direct zeggen. U merkt dat doordat de arm of de hand onwillekeurig beweegt. Het is belangrijk dat u tijdens het prikken stil blijft liggen. Als de naald op de goede plaats zit, spuit de anesthesist het verdovende middel in.

Korte tijd later merkt u dat de arm of hand gaat tintelen en warm wordt. Later verdwijnt het gevoel en kunt u de arm en hand niet meer bewegen. Als de verdoving is uitgewerkt, keren de beweging en het gevoel weer terug. Tijdens de operatie blijft u wakker, maar als u dat liever heeft kunt u om een slaapmiddel vragen. Overigens ziet u niets van de operatie: alles wordt met doeken afgedekt. Afhankelijk van het gebruikte medicijn kan het vier tot zelfs 20 uur duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt.

Het hangt af van de operatie of u in het ziekenhuis moet blijven tot de verdoving is uitgewerkt. Zolang de arm verdoofd is, moet u deze wel in een draagdoek (mitella) houden.

Een zogenaamde plexusanesthesie heeft een aantal bijwerkingen:

  • Postoperatieve tintelingen
    Door irritatie van de zenuwen door de prik of door de gebruikte medicijnen komt het een enkele keer voor dat u, nadat de verdoving is uitgewerkt, nog enige tijd last houdt van tintelingen in de arm en de hand. Deze tintelingen verdwijnen in de meeste gevallen in de loop van weken tot maanden vanzelf.
  • Overgevoeligheidsreacties
    Overgevoeligheid voor de gebruikte verdovingsmiddelen komt uiterst zelden voor. Dit kan zich uiten in benauwdheid, huiduitslag, lage bloeddruk. De anesthesist is er op getraind om deze complicaties te behandelen.
  • Toxische reacties
    De zenuwen die verdoofd moeten worden, lopen vlakbij grote bloedvaten. Het komt uiterst zelden voor dat het verdovend medicijn direct in de bloedbaan komt. Dat uit zich in een metaalachtige smaak, tintelingen rond de mond, een slaperig gevoel, hartritmestoornissen, trekkingen en uiteindelijk bewusteloosheid.

Na de operatie

  • Na de operatie brengen de anesthesist en de anesthesiemedewerker u naar de verkoeverkamer of recovery. Gespecialiseerde verpleegkundigen zien erop toe dat u rustig en veilig bijkomt van de operatie. Ook hier bent u aangesloten op de bewakingsapparatuur.
  • Als u spierpijn heeft na de operatie kan dit komen door de (soms langdurige) houding op de operatietafel, het gebruik van wondspreiders en/of door het gebruik van bepaalde spierverslappers.
  • Na een grote (buik)operatie heeft u meestal ook een maagsonde (slangetje dat via de neus naar de maag loopt), een blaaskatheter, en vaak ook extra infusen die tijdens de operatie zijn ingebracht.
  • Longklachten kunnen ontstaan doordat de wond pijn doet en door de invloed van anesthesiemiddelen en pijnstillers. Hierdoor hoesten veel patiënten na een operatie onvoldoende op en zuchten ze te weinig door. Bij operaties in de bovenbuik komt dit het meest voor, omdat diep doorademen dan het meest pijnlijk is. Ondanks het feit dat het voor u moeilijk kan zijn, is het van belang dat u toch probeert zo veel mogelijk diep te zuchten. De verpleging zal u hiertoe ook regelmatig aansporen.
  • Zodra u voldoende wakker bent uit de narcose, of de ruggenprik voldoende is uitgewerkt, gaat u terug naar de afdeling. Het kan ook zijn dat u nog enige tijd op een speciale bewakingsafdeling moet blijven, omdat de aard van de operatie een wat langere intensieve zorg noodzakelijk maakt. U gaat dan naar de medium care of de intensive care.

Operatie van uw kind

Een operatie is voor uw kind, maar ook voor uzelf, een ingrijpende gebeurtenis. Gelukkig kunt u zelf veel doen om het ziekenhuisverblijf van uw kind zo aangenaam mogelijk te maken.

Patiëntfolders

Anesthesie
Poliklinische operatiekamers