26 juni 2018

Kinderarts in de Himalaya

Kinderarts in de Himalaya

“Sir, there is one child not bleeding…!” komt de bewaker van het ziekenhuis melden, terwijl hij de trap op rent. Dat klinkt best oké, maar lijkt in tegenspraak met zijn haast. Ik heb vaker moeite om de mensen hier te verstaan, dus ik vraag of hij ‘bleeding’ of ‘breathing’ bedoelt. Het laatste dus.

Ik ren achter hem aan naar de kinderafdeling. Daar ligt een klein kindje in doeken gewikkeld, nu twee dagen oud en vijf weken te vroeg geboren. Bleek, nauwelijks ademhaling. Snel pakken we een beademingsapparaat, waarna de kleur langzaam terugkomt en het kindje begint te reageren. De oorzaak van het stoppen met ademen blijkt een klaplong – door een gat in de onrijpe long lekt er lucht in de borstkas, waardoor de longen steeds minder ruimte overhouden. We verhelpen dat probleem, maar moeten constant de lucht via een slangetje uit de borstkas zuigen. Desondanks kan het kind niet goed ademhalen en heeft hij kunstmatige beademing nodig. Het is improviseren met de apparatuur die eigenlijk voor volwassenen is en het is hier nog nooit voor zo’n klein kind gebruikt, maar het werkt, vooralsnog. Tot de stroom uitvalt en we in een donkere kamer staan en de beademingsmachine stopt. Gelukkig is er snel een zaklamp gevonden. We moeten op de hand verder beademen. Tegen vier uur ’s nachts is er pas weer stroom en werken de apparaten weer. Tijd voor een tukkie naast de couveuse.

Dit was zes jaar gleden. En nu komt er een vrolijk joch in keurig gestreken (maar toch best smoezelig) schooluniform naar me toe om me een hand te geven: het is het kindje van toen. Ontroerend. Goed om weer eens terug te zijn na al die jaren.

Ik, Feico Halbertsma, werk nu 13 jaar in Máxima MC als kinderarts en prijs me elke dag gelukkig als ik zie hoeveel we kunnen op de NICU en kinderafdeling, niet gehinderd door te weinig apparatuur, of dilemma’s of ouders wel kunnen betalen. Want dat leek een probleem te worden voor de ouders van het Indiase kind op de foto. In de dagen na zijn klaplong ging het op en af en leek het niet te gaan lukken met de beschikbare apparatuur. Wat nu? Een kinderziekenhuis ligt 200 kilometer verderop, acht uur in een ambulance. De vraag was of dat überhaupt veilig haalbaar was. Maar de vraag was ook of ouders dat zouden kunnen betalen, een verblijf in een gespecialiseerd ziekenhuis. Dan moeten ze een stuk land verkopen en daarmee een stuk inkomsten en toekomst. We bespreken de situatie met de ouders en adviseren het kind niet over te plaatsen, maar te hopen op het beste. En inderdaad knapte hij langzaam op en kon na drie weken weer naar huis.

Gezondheid staat niet op de eerste plaats hier in India: eerst eten, dan brandhout, dan eventueel schoolgeld en dan pas gezondheid. Het zijn dilemma’s waar wij in Nederland niet over hoeven na te denken, gelukkig. Wat ook anders is, is dat als je een kind opneemt en de moeder erbij blijft, het direct gevolgen heeft voor het gezin: want nu moet vader alles alleen doen op het land. Je moet je dus nog meer dan anders afvragen of een opname echt nodig is. In MMC focussen we op Family Centered Care: vooruitstrevend en vooroplopend in Nederland. Heel erg goed, dat je het gezin centraal stelt bij een opname, rekening houdt met de thuissituatie enzovoorts. Maar hier in India is dat al jaren gangbaar en ik kom dagelijks situaties tegen waarbij ik denk: hé, zo kan het dus ook! Leuk dat ik niet alleen als Westerse dokter kennis naar India breng, maar ook wat mee terug kan nemen waar we in Nederland iets aan hebben.